(Niet) mijn pakkie-an ? - Ds. Eibert Kok- 17 mei 2020

(Niet) mijn pakkie-an?

Zondagmorgen 17 mei 2020, internetdienst vanuit de Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok

Lezing uit 1 Samuël 25

Preek 17mei 1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In wat voor tijd leven we?
‘Tijd van vloek en tijd van zegen’, klonk het in het lied dat net gezongen werd,
‘tijd van droogte tijd van regen
tijd van oogsten, tijd van nood…
tijd van hopen dat nog ooit…
tijd van kruipen, angst en spijt,
zee van tijd… en eenzaamheid.’
Tegenstellingen klinken er in door, tijd van voorspoed, tijd van tegenslag, de ene keer zit het mee, de andere keer zit het tegen.
In wat voor tijd leven wij?
Ik vind het een moeilijke tijd. Moeilijk voor mezelf, omdat heel veel dingen niet op de gewone manier kunnen of helemaal niet kunnen,
moeilijk voor die mensen die eenzaam op hun kamer zitten en niet of nauwelijks bezoek mogen krijgen, die geliefden niet kunnen ontmoeten.
‘Zee van tijd… en eenzaamheid.’
Moeilijk voor al die mensen die zich zorgen maken, over hun gezondheid, hun werk, hun inkomen, hun bedrijf, hun toekomst.
Moeilijk voor mensen in de zorg van wie veel gevraagd wordt, die risico’s lopen en het moeten volhouden.
Moeilijk voor mensen die in armoede leven, zeker in Afrika, Azië en Zuid-Amerika voor wie met de corona een hongerpandemie dreigt.
Wereldvoedselorganisaties verwachten dat het aantal mensen met honger dit jaar zal verdubbelen.
Er is te weinig voedsel en mensen hebben het geld niet voor voedsel.
Er is een uitspraak van de kerkvader Augustinus – hij leefde zo rond 400:
“De mensen zeggen:
De tijden zijn slecht,
we leven in een moeilijke tijd!”
Maar, zegt hij dan:
“Leef goed en de tijd is goed.
Wij zijn de tijden!
De tijden zijn wat wij er van maken…”
Laat die woorden maar eens op je inwerken…
Nu is het zo bij dit soort uitspraken dat het niet altijd opgaat, maar er zit wel een hele belangrijke kern van waarheid in.
In het lied dat net gezongen werd over de tijden, hoor ik iets vergelijkbaars, een uitnodiging tot een nieuw begin:
“Tijd van leven om met velen brood en ademtocht te delen.”
Nu is ademtocht delen iets wat we letterlijk genomen in deze tijd juist níet moeten doen, maar de bedoeling is duidelijk:
deel het leven met elkaar, gun elkaar het leven, geef elkaar de mogelijkheden om te leven.

Ook het bijbelverhaal van vandaag heeft ons daarover weer iets te vertellen.
Het gedeelte begint ermee dat Samuël komt te overlijden, Samuël, de profeet, de persoon die stem gaf aan de woorden van God, de profeet ook die in opdracht van God David gezalfd had tot de persoon die de nieuwe koning van Israël zou worden.
Dat overlijdensbericht van Samuël staat daar wat verloren aan het begin van het hoofdstuk, een terloopse mededeling, zo lijkt het.
Maar voor David valt hiermee iemand weg die voor hem heel belangrijk was.
Samuël, dat was degene die hem tot koning had gezalfd, dat was zijn legitimatie om zich op dat koningschap te richten.
En misschien was Samuël, en datgene waar Samuël voor stond voor David ook wel een soort moreel kompas.
De gedachte aan Samuël hield hem op het rechte pad.
Voor David is het een moeilijke tijd. Al de goede connecties die hij gekregen had met het hof van koning Saul had hij moeten loslaten, want koning Saul duldt hem niet in zijn leven. Zelfs zijn vrouw, de dochter van Saul, is hem ontnomen.
Voor Saul is David de meest gezochte persoon in zijn koninkrijk geworden. Hij wil David te pakken krijgen en vermoorden.
David blijkt dan uit een ander hout gesneden te zijn,
want in het hoofdstuk vóór het hoofdstuk van vandaag doet zich voor David de gelegenheid voor om Saul op een hele gemakkelijke manier uit de weg te ruimen.
Maar hij doet het niet. Dan zou er, zo vindt hij zelf, onrecht aan zijn handen kleven. Hij spaart het leven van koning Saul.
Maar nu, in dit hoofdstuk, nu Samuël er niet meer is, dreigt David van het rechte pad af te raken.
Wat is er aan de hand?
David heeft inmiddels een best grote groep strijdbare mannen om zich heen verzamelt en vormt zo een legertje dat zich schuilhoudt in de woestijn.
Wat doet die paramilitaire organisatie? Niet zoals de meeste bendes roven en plunderen, nee, ze beschermen schaapherders met hun schapen daar in de woestijn.
David en zijn mannen werpen zich op als herders van die herders om hen te beschermen tegen allerlei gespuis dat daar rondspookt.
Nu woont daar een zekere Nabal. Zijn naam betekent zoiets als dwaas. Dus dat voorspelt niet veel goeds.
Die Nabal is schatrijk, een succesvol ondernemer.
En hij heeft een wijze vrouw, zo wordt ons al direct verteld: Zij had een helder verstand en was mooi om te zien.
Hij was hard en gewetenloos.
Zij: vrouwe wijsheid, en hij: dikdoenerige gewetenloze domheid.
Nou, je hoeft niet lang na te denken om een hedendaagse versie van Nabal te bedenken, ze zijn er meer dan genoeg. En ze hebben vaker de touwtjes in handen dan je lief is.
Nabal viert weer een van zijn successen op het jaarlijkse schaapsscheerdersfeest.
David hoort daarvan en wil er ook wel iets van meekrijgen.
Als hij een paar mannen er op af stuurt met de vraag of hij ook een klein beetje mag delen in de rijke oogst – een opbrengst van de schapen die zo hoog is omdat David en zijn mannen zich daarvoor hebben ingezet – krijgt hij nul op het rekest.
Nabal hoont hem weg: het wemelt hier van vreemdelingen en vluchtelingen, mensen die bij hun eigen baas weggelopen zijn.
Wat doe je hier? Ga terug naar je eigen land.
Denk je echt dat ik míjn brood en míjn water en het vlees dat ik voor míjn scheerders heb laten klaarmaken aan de eerste de beste vreemdeling ga geven? Geen denken aan, eigen volk eerst.
Míjn brood, míjn water, van mij, dus niet van jou.
Het is een houding die je met grote regelmaat tegenkomt, in de politiek en daarbuiten,
ook tussen landen, tussen rijkere landen en armere landen.
Het speelt nu bij de coronacrisis en het gaat spelen straks als er een vaccin beschikbaar komt.
Wie mag (eerst) profiteren van de voedingsmiddelen, de hulpmiddelen, de geneesmiddelen, het vaccin?
Míjn brood, míjn water.
Het is niet voor niets dat Jezus ons leert in het Onze (!) Vader om te bidden: geef óns heden óns dagelijks brood.
Niet mijn, ons…
David is furieus. Te wapen! Met 400 man trekt hij op naar het bedrijf van Nabal.
Maar gelukkig is daar Abigaïl, die wijze vrouw.
Zij onderneemt actie. ‘Zonder met haar man te overleggen’ staat er nadrukkelijk bij.
Dit gaat in tegen de gewoontes van die tijd, en ook tegen de gewoontes vandaag de dag op veel plaatsen.
De man kan doen wat hij wil, de vrouw moet goedkeuring van de man krijgen. Nou, mooi niet.
Abigaïl is een wijze vrouw en doet wat goed is, niet wat haar man goed zou vinden.
Met een hele vracht geschenken, brood, wijn, vlees, graan, noem maar op, trekt ze hem tegemoet.
Dan komen ze elkaar tegen. David met zijn manschappen, vol woede, klaar om wraak te nemen en zich alles toe te eigenen, en Abigaïl.
Preek 17mei 2

 

 

 

 

 

 

 

 

Dat moment dat die twee stoeten elkaar tegenkomen – de stoet van de wraak die wil nemen, en de stoet die de hand wil reiken, die verzoening zoekt, die wil delen, geven – is vaak afgebeeld,
zoals op dit (middendeel van een) wandkleed van François Spiering, zo’n 400 jaar geleden gemaakt in Delft, en nu in de collectie van het Rijksmuseum.
Twee manieren om in het leven te staan:
rechtopstaand, eisend, dreigend met geweld, willen nemen,
en: nederig knielend, zoekend naar verbinding, verzoening.
Toen ik afgelopen week thuis dit Bijbelverhaal vertelde, zei mijn dochter: Dat is de geijkte manier in allerlei verhalen hoe vrouwen van mannen gedaan krijgen wat ze willen.
Ze lijkt wel heel nederig, maar op deze manier staat ze sterk en krijgt ze gedaan wat ze wil. Dit is haar kracht.
En in het Bijbelverhaal werkt het. David begint in te zien dat hij op de verkeerde weg zit en dat hij op deze manier behoed wordt voor een misstap die altijd aan hem zou blijven kleven.
Hij geeft zich gewonnen.
Het is echt ongelofelijk wat Abigaïl doet.
‘Mij treft alle schuld.’ Ze zegt het meerdere keren op verschillende manieren. Terwijl haar helemaal geen blaam treft. Haar man Nabal heeft zich in de nesten gewerkt, zij niet.
En toch neemt ze alle verantwoordelijkheid op zich. Dat is bijna iets messiaans. Dat is wat de messias, de christus, de gezalfde doet: de verantwoordelijkheid op zich nemen.
Als ik om me heen kijk, als ik zie hoe mensen soms reageren als er iets fout is gegaan, in het gewone leven, op het werk, in de politiek, dan zie ik heel vaak de neiging van mensen om de schuld van zich af te schuiven, om géén verantwoordelijkheid te nemen, om het op schouders van anderen te leggen, niet op die van zichzelf.
Abigaïl, die wijze vrouw, kijkt verder dan haar neus lang is, en beseft dat dit de enige manier is om uit de ellende te komen, als zij hier deze verantwoordelijkheid neemt.
Niet afschuiven op een ander die z’n verantwoordelijkheid die hij zou moeten nemen niet neemt, maar goed handelen, in het belang van iedereen.
Niet denken: het is niet mijn pakkie-an, maar: je verantwoordelijkheid nemen om erger te voorkomen. En dat kan en mag soms best wat kosten.
Zo houdt dit Bijbelverhaal ons een spiegel voor. Welke manier van leven kiezen wij?
Het verhaal eindigt ermee dat Abigaïl Nabal weer ontmoet, stomdronken.
De volgende dag vertelt ze hem een verhaal. Hij schrikt er zo van dat hij een hartaanval krijgt en een aantal dagen later overlijdt.
En David? David vraagt deze wijze vrouw ten huwelijk.
Dit hele verhaal brengt mij bij de Bergrede, die woorden van Jezus waaruit we in de 40-dagentijd gelezen hebben, waarin Jezus oproept de liefde het te laten winnen van de haat en die liefde handen en voeten te geven.
In wat voor tijd leven wij?
“Leef goed en de tijd is goed… De tijden zijn wat wij er van maken.”

Twee machten-10mei-CWvdM

Overdenking op zondag 10 mei 2020
Lezingen: 1 Samuël 19: 1-7, 8-18; Handelingen 9: 19b-25
Thema: Twee machten

Gemeente van Jezus Christus,

Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Dat is een oud Nederlands gezegde, waarmee wordt uitgedrukt dat bloedverwantschap altijd de doorslag geeft. Wat er ook gebeurt, mensen zullen altijd de kant van hun familie kiezen. Kinderen zijn van kleins af aan in de regel ongelooflijk loyaal aan hun ouders. Dat lijkt in de puberteit wat minder te zijn, maar dat is maar schijn. Er moet heel wat gebeuren willen kinderen hun ouders afvallen.
Het bijbelverhaal dat Joop van Rossem heeft voorgelezen laat duidelijk zien voor wat voor verschrikkelijke dilemma’s mensen dan soms komen te staan. Vier hoofdpersonen zijn er in het verhaal. We horen over David, maar die heeft geen bijzonder actieve rol. Hij lijkt meer een speelbal van de gebeurtenissen waarover verteld wordt. De handelende personen zijn Saul, de koning, Jonathan, de oudste zoon van de koning, en Michal, een jongere dochter van Saul.
Hoe belangrijk de bloedband is wordt meteen in de eerste verzen al duidelijk gemaakt. In de vertaling is het een beetje afgevlakt, maar in de eerste vier verzen wordt Jonathan tot twee keer toe met nadruk de zoon van Saul genoemd. En Jonathan spreekt tot vier keer toe met nadruk over Saul als zijn vader. Dat is niet per ongeluk. Dat is om de aandacht te vestigen op de band tussen vader en zoon. Wie komt daar tussen? We hadden dit verhaal misschien beter op Vaderdag dan op Moederdag kunnen lezen. Aan de andere kant: de band tussen Saul en Jonathan wordt zwaar op de proef gesteld. Want Jonathan is niet alleen de zoon van Saul. Hij is ook de vriend van David. In het begin van hoofdstuk 18, na het verhaal over de strijd van David tegen Goliath, wordt verteld dat die twee vriendschap sluiten. Jonathan, zo lezen we daar, had David zo lief als zijn eigen leven.
Aan wie moet Jonathan trouw zijn? Aan zijn vader Saul of aan zijn vriend David? Voor die keus komt hij te staan. Want Saul maakt er geen geheim van dat hij David uit de weg wil laten ruimen. Daar spreekt hij over met zijn zoon Jonathan en met heel de hofkliek. Blijkbaar voelt hij zich in die kring zo veilig dat hij rustig over zulke plannen kan spreken. Openlijk. Ondenkbaar dat iemand hem tegen zou durven spreken. Hij zal zich wel omringd hebben met een partij jaknikkers. En van zijn oudste zoon verwacht hij onbegrensde loyaliteit. Jonathan moet hem immers gaan opvolgen. Het gaat om het vasthouden van de macht. Wat kan er belangrijker zijn?
Dat vasthouden van de macht is ook de reden dat Saul zich tegen David heeft gekeerd. Hij ziet David als een bedreiging van die macht. Ook dat lezen we in hoofdstuk 18. Saul heeft David, na zijn overwinning op Goliath, tot legeraanvoerder benoemd. Maar als het leger, na een overwinning op de Filistijnen, door een juichende menigte wordt binnengehaald wordt er door de vrouwen van Israël een lied gezongen dat Saul pijn doet aan de oren. Saul versloeg ze bij duizenden, David bij tienduizenden. De gedachte dat iemand groter kan zijn dan hij vindt hij onverdraaglijk. Hij vindt die gedachte bedreigend. Nog even en ze geven hem het koningschap, horen we hem zeggen. Vanaf die dag begon Saul David te wantrouwen, staat er in het bijbelverhaal.
Het verhaal over het koningschap van Saul is een klassieke tragedie. Een verhaal dat richting een noodlottige afloop gaat. Het begon zo mooi. Het begon als een verhaal van bevrijding. Saul zette zich in voor de bevrijding van het volk Israël. Maar de kroon woog te zwaar op zijn hoofd. Hij raakte verstrikt in de betovering van de macht die het koningschap hem gaf. Macht was niet langer een middel om bevrijding en recht tot stand te brengen. Macht was het doel geworden waar alles wat Saul ondernam op gericht was. Dat is een slechte basis voor het koningschap. De profeet Samuël waarschuwde Saul daar ook voor. Hij voorspelde dat Saul zijn koningschap zou kwijtraken op die manier. Maar dat bracht Saul niet tot inkeer. Het maakte hem alleen angstig en wantrouwig. Verslaving aan de macht, angst en wantrouwen. Een giftig mengsel dat iemand tot een gevaar voor zijn omgeving maakt.
Ze zijn er nog steeds, zulke leiders. In de Verenigde Staten stuurt president Trump iedereen, die hem niet klakkeloos volgt, de laan uit. En een gouverneur die kritiek heeft op zijn beleid noemt hij in het openbaar een slang, waar je voor uit moet kijken. In Rusland zijn drie artsen, die kritiek hadden op het beleid van de overheid, op een raadselachtige manier uit het raam van hun ziekenhuis gevallen. Twee zijn er overleden, één ligt in kritieke toestand op de intensive care. De autoriteiten in Rusland noemen het een tragisch incident. Zulke incidenten stonden Saul ook voor ogen. In hoofdstuk 18 lezen we in ieder geval dat hij David een paar keer op een zelfmoordmissie stuurt. Maar het plan lukt niet. David komt elke keer alleen maar sterker uit de strijd.
Dus moet David nu maar gewoon uit de weg geruimd. Dat bespreekt Saul met zijn hovelingen en met zijn oudste zoon. Maar die gaat daar niet in mee. Voor Jonathan is er meer in het leven dan kadaverdiscipline. Hij zweert niet bij de macht. Hij geeft om vriendschap en om recht. Hij waarschuwt David. En tegelijk probeert hij zijn vader trouw te blijven. Ik ga met mijn vader de stad uit, horen we in de vertaling. Maar dat staat er niet. Er staat: Ik zal naast mijn vader staan op het veld waar jij bent. Jonathan blijft naast zijn vader staan. Hij pleit voor David, en probeert tegelijkertijd zijn vader trouw te blijven en Saul op het rechte pad te krijgen. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan.
Vindt Jonathan gehoor bij zijn vader? Het lijkt er op. Saul zweert dat David niet zal worden gedood. Zowaar de Heer leeft, zegt hij. Maar vrome woorden zeggen vaak niet zo veel. Binnen de kortste keren krijgt het wantrouwen weer de overhand. Hij probeert David aan de wand te spietsen wanneer hij voor hem op de harp speelt. Saul werd gekweld door een kwade geest van de Heer, horen we. Dat betekent niet dat we God als de regisseur van deze hele tragedie moeten zien. Het zegt iets over het wereldbeeld en het Godsbeeld van de mensen in de tijd dat dit verhaal ontstaan is. Drie-, vierduizend jaar geleden was er geen ander antwoord beschikbaar dan dat God hier de hand in zou moeten hebben. Wij kijken anders tegen de werkelijkheid aan. Wij zien mensen die vergiftigd worden door de hang naar macht, zo zeer dat ze anderen naar het leven gaan staan. Wie zo regeert is geen koning meer bij de gratie Gods. Al zullen er altijd wel dominees en priesters te vinden zijn die het machtsmisbruik met gebeden en met wierook willen toedekken.
De dochter van Saul, Michal, die met David getrouwd is, heeft een heel andere manier om zaken toe te dekken. Zij laat zich niet om de tuin leiden. Wanneer David thuis komt, ontsnapt aan de moordzucht van Saul, denkt hij blijkbaar dat het maar om een boze bui gaat. Morgen is het wel weer over. Maar Michal kent haar vader. Morgen zal het over zijn met David, als hij niet maakt dat hij weg komt. Ze kiest voor David, van wie ze houdt. Ze kiest tegen haar vader. Ze zorgt ervoor dat David ontsnapt, legt het beeld van de huisgod in zijn bed en dekt dat toe met een deken. Zo wint ze de tijd die David nodig heeft om zich uit de voeten te maken. En als de soldaten van Saul het huis binnendringen, veel later, vinden ze niet David, maar een beeld in het bed.
Een beeld van de huisgod. Dat is een afgodsbeeld. Een bijzonder detail in dit verhaal. Was er een afgodsbeeld in het huis van de dochter van de koning? Blijkbaar wel. Het werpt een extra donker beeld op alles wat met Saul te maken heeft. Ook in religieus opzicht was Saul niet zuiver op de graat. Maar ook dat keert zich tegen hem. Het afgodsbeeld wordt een middel om hem om de tuin te leiden en zijn moordplannen te verijdelen.
David ontsnapt. Hij wordt uit het venster naar beneden gelaten. Zoals, veel later, ook Paulus op die manier aan een zekere dood ontsnapt. Dood. En ontsnapping. Dat zijn, tenslotte, de thema’s waar dit verhaal om draait. Doden en ontsnappen. Die werkwoorden komen keer op keer terug in dit verhaal. Op die manier laat de schrijver van het verhaal zien, als het ware, dat er twee machten zijn in het leven van ons mensen. De macht die wil heersen. De macht die gericht is op zichzelf, op behoudzucht. De macht die desnoods over lijken wil gaan. De macht van de dood. En er is een andere macht. De macht van bevrijding. De macht die wil dienen. De macht die het leven wil behouden. De Bijbel is duidelijk in zijn openbaring: de macht die wil dienen, die het leven wil behouden, die macht heeft het laatste woord. Dat wordt ons voorgehouden in de verhalen in de Bijbel. In de hoop dat zo ons vertrouwen gevoed wordt dat de macht die het leven wil behouden ook in ons leven het laatste woord zal hebben. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

 

Echte vrijheid-3mei-CWvdM

Overdenking op 3 mei 2020

Lezingen: 1 Samuel 17: 4-11, 32-51; 2 Timotheus 4: 16-18
Thema: Echte vrijheid

Gemeente van Jezus Christus,

In het Historisch Jaarboek Westland van het jaar 2020 staat een artikel over het lot van de Joodse slagersfamilie van Leeuwen uit Monster. Vader Mozes van Leeuwen was kort voor de oorlog overleden. Maar zijn vrouw Eva, hun zoon Levie en dochter Louise en hun echtgenoten zijn in 1942 door de Duitse bezetter weggevoerd en via kamp Westerbork in Auschwitz terechtgekomen. Daar zijn ze al snel na aankomst vermoord. In februari 2016 zijn er vijf struikelstenen voor het gezin van Leeuwen geplaatst.
Getuigen van de oorlog zijn er steeds minder. Mensen die het zelf aan den lijve hebben ervaren. Maar iedere struikelsteen laat een naam zien. Achter iedere naam staat het verhaal van een mensenleven. Ieder verhaal dat verteld wordt doordringt ons van de gruwel van het geweld, de bruutheid van een regime dat geen greintje respect kende voor een mensenleven.
Morgen, op 4 mei, staan we stil bij de pijn en het verdriet die mensen door het oorlogsgeweld en de vervolging zijn aangedaan. Staan we stil bij de onafzienbare lijst met namen van slachtoffers. Denken we aan de mensen die hun leven opgeofferd hebben om de wrede overheersing te weerstaan, en de hoop op vrijheid levend te houden. Die vrijheid is er weer gekomen. Maar tegen een hoge prijs. Alleen als we dat niet vergeten kunnen we ons bewust zijn hoe belangrijk vrijheid is voor een mensenleven.
Het is of de brutaliteit van het nietsontziende geweld ons in de figuur van Goliath tegemoet treedt. Tachtig jaar geleden had hij zonder problemen deel uit kunnen maken van een Sonderkommando van de SS. De manier waarop hij getekend wordt sluit aan bij de cultuur van lichaamsverheerlijking van de nazi’s. Groot is hij. En sterk. En tot de tanden toe gewapend. De punt van zijn speer woog een kilo of zes. Hij droeg een harnas van ruim vijftig kilo. Een wandelende tank, zo wordt Goliath beschreven.
En zijn manier van spreken past daar precies bij. Zijn woorden staan bol van kwaadaardigheid en minachting. Hij daagt uit tot een tweegevecht. Geweld moet beslissen over de loop van de geschiedenis. Een woord als rechtvaardigheid staat niet in zijn woordenboek te lezen. Het is de gepantserde vuist die zal regeren, als het aan hem ligt. En daar twijfelt hij geen seconde aan. Want wie zou hem kunnen verslaan? Hij voelt zich ver verheven boven de mensen van het volk Israël. Hij is immers een vrije Filistijn. En de mensen tegenover hem? Hij noemt hen slaven. Slaven van Saul. Het is de ideologie van het Herrenvolk die we hier horen ronken. Goliath kijkt naar de mensen tegenover zich en ziet alleen een minderwaardig soort. Slavenvolk. Untermenschen, zeiden de nazi’s. Geen probleem om dat soort te intimideren en te vertrappen.
Worden mensen daar bang van? Nou, reken maar. Dat is in ieder geval wat verteld wordt over koning Saul en het hele leger van Israël. Ze staan te trillen op hun benen en ze hebben geen idee wat ze er tegen kunnen doen. Misschien zit er niets anders op dan maar toe te geven en zich te onderwerpen. Het doet me denken aan de houding van de landen rondom Duitsland in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog. Afgelopen dinsdag zag ik een aflevering van een serie programma’s over het leven van de Joodse schilder Marc Chagall. Die leefde in de jaren dertig in Frankrijk. Hij maakte een schilderij over de Kristallnacht. De nacht van 9 op 10 november 1938 toen de etalageruiten van Joodse winkels in Duitsland werden ingegooid, synagogen in vlammen opgingen en duizenden Joodse mensen naar concentratiekampen werden afgevoerd. Chagall verbeeldde die gruwel in een schilderij. Maar er mochten op dat schilderij vooral geen herkenbare nazisymbolen als het hakenkruis staan. Dat zou strafbaar zijn. Dat was belediging van een bevriend staatshoofd. Vond de Franse regering.
Ik vraag me af of we daarvan geleerd hebben. In China zit een miljoen Oeigoeren opgesloten in concentratiekampen, maar president Xi Jing Ping is toch vooral een bevriend staatshoofd. We moeten natuurlijk wel handel kunnen drijven met China. Al was het alleen maar om de mondkapjes die we niet in ons eigen land kunnen maken en die China wel kan leveren. Hoever staan we af van Saul, die zich laat intimideren door gepantserde overmacht en niet weet hoe hij daar op moet reageren?
Dat weet hij nog niet wanneer er iemand blijkt te zijn die niet verstijfd is van angst. David is de enige die de moed niet verliest. Want wat reikt Saul hem aan? Dezelfde soort uitrusting als Goliath draagt. Een helm. Een harnas. Een maatje kleiner, wellicht. Maar Saul was ook iemand die een kop boven iedereen uitstak. Al was hij geen twee meter. Saul tapt uit hetzelfde vaatje als Goliath. Brons en ijzer. Harnas en speer. Het klinkt als een wapenwedloop. Met geweld opbieden tegen geweld. En David probeert het. De uitrusting past hem nog ook, dus blijkbaar was het geen kleine jongen. Maar hij komt er geen meter verder mee. Het is te zwaar, te log. Hij kan er niet in bewegen.
David bestrijdt het geweld op een andere manier. David moet het in de eerste plaats hebben van vertrouwen. Hij is een herder. Hij beschermt het leven van zijn schapen en redt zijn schapen uit de muil van roofdieren. Maar dat kan hij alleen omdat hij vertrouwt dat hij zelf gered wordt uit diezelfde roofdiermuil. Gered door God. Het is hetzelfde vertrouwen dat mensen in de oorlog de moed gaf om Joodse onderduikers te helpen, bevolkingsregisters zoek te maken, bonkaarten te vervalsen en illegale kranten uit te brengen. Vertrouwen op God geeft moed.
En het geeft mensen een andere mentaliteit. Een andere levensovertuiging. Het maakt dat mensen beseffen dat ze niet alleen zijn, dat de wereld niet alleen om hen draait, maar dat ze deel uitmaken van een groter verband. Dat leert een mens respect te hebben voor het leven van een ander. Een mens leeft niet uit eigenmacht. Een mens leeft in het licht van Gods macht. Het verhaal maakt duidelijk dat David zo in het leven staat. Hij ziet zijn leven als deel van een groter verband. Dat zie je in het verhaal door hoe hij over zichzelf spreekt. Het is jammer dat dat in de vertaling is weggevallen. Weet u nog dat Goliath de mensen van het volk Israël honend ‘slaven van Saul’ noemde? Datzelfde woord, dat met ‘slaaf’ wordt weergegeven in de vertaling, gebruikt David voor zichzelf. Hij noemt zich een dienaar, zo je wilt een slaaf van Saul, die immers de gezalfde koning is. Tot drie keer toe noemt David zich een dienaar. Als dienaar van de gezalfde is hij een dienaar van God. David vraagt zich niet af hoe hij de baas kan zijn. David vraagt zich af hoe hij een dienaar kan zijn. Hoe hij mensen kan dienen. Hoe hij het leven kan dienen. Hoe hij God kan dienen.
David wil voor mensen zorgen. Daarom treedt hij Goliath tegemoet met zijn herdersstaf. Het symbool van iemand die zorgt. Een wapen van niks, vindt Goliath. Hij noemt het een stok. Weet hij veel. Een herdersstaf zegt hem niets. Hoeder van het leven zijn, dat is nog nooit in zijn hoofd opgekomen. Maar dat is wat David juist wil zijn. Daarom gaat hij Goliath tegemoet. Niet om te laten zien hoe sterk hij is. Maar omdat mensen bescherming verdienen tegen bruut en goddeloos geweld. En hij bestrijdt Goliath met andere middelen. Hij gaat niet mee in de wapenwedloop. Hij zoekt het niet in de wapensmederij waar brons en ijzer wordt gegoten. Hij zoekt het bij moeder natuur, in de beek, waar hij gladde stenen vindt om zijn slinger mee te voeden. En dat wapen wordt Goliath fataal. Hij verliest z’n hoofd.
Laten we het verhaal niet mooier maken dan het is. Ook David gebruikt geweld. Wapengeweld. Een slinger was geen kinderspeelgoed. En David weet het zwaard van Goliath te gebruiken. Misschien moeten we daar ons menselijk tekort in zien, dat we niet in staat zijn om het geweld uit te bannen door de kracht van de liefde. We hebben nog wel een weg te gaan als we Jezus willen volgen. Maar de strijd die David levert is een andere dan de strijd die Goliath aan wil gaan. Goliath is uit op overheersing. David is uit op bescherming. Goliath ziet zich helemaal bovenaan staan. Hij is de baas en dient niemand. Zijn leven draait om macht. Er zijn mensen die denken dat dat vrijheid is. David noemt zich nederig een dienaar. Het gaat hem niet om zichzelf. Het gaat hem om anderen. Zijn leven draait om dienende liefde. Liefde voor God en de naaste. Als je daar goed over nadenkt is David misschien wel vrijer dan Goliath. Ik hoop dat we op die manier durven leven, om zo met elkaar de vrijheid te kunnen vieren die God ons geeft. In de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.

Profiel voor leiderschap-28apr-EBK

Profiel voor leiderschap

Zondagmorgen 26 april 2020, Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok

Lezingen: 1 Samuël 16: 1-13 en Johannes 21: 15-19

Preek 26 apr 1

 

 

 

 

 

 

 

 

Door wie of door wat laten wij ons leiden?
Anders gezegd: Door wie of door wat worden wij geregeerd?
Wie heeft het voor het zeggen in ons leven?
Dat is natuurlijk wel een mooie vraag op de dag voor koningsdag.
Want morgen vieren we de verjaardag van onze koning, Willem Alexander, hij is onze koning.
Dus door hem worden wij geregeerd.
Nou ja, iedereen weet wel dat dat niet zo is.
Zo was dat vroeger: de koning regeerde over zijn onderdanen, en sommige koningen deden dat heel goed. Die hadden oog en hart voor de mensen over wie ze regeerden.
Andere koningen hadden vooral hun eigen belang op het oog, en lieten hun volk soms gewoon creperen.
De ene koning gaf zijn mensen veel speelruimte, de ander hield ze in de tang.
Maar dat is verleden tijd. Koningen hebben nauwelijks nog macht. Koning Willem Alexander heeft veel meer een symbolische functie. De macht ligt niet bij hem maar bij anderen.
Wat niet wil zeggen dat er geen machthebbers zijn die zich gedragen als ouderwetse koningen.
Zeker in deze crisis tijd zie je hoe machthebbers zich soms ontpoppen als ouderwetse koningen die de situatie vooral lijken te gebruiken om nog meer macht naar zich toe te trekken. Kort houden die mensen.
Denk aan iemand als Victor Orban, de premier van Hongarije die de crisis gebruikt om de mensen die het niet met hem eens zijn nog meer de mond te snoeren.
Denk aan Donald Trump die van alles roept en schreeuwt en twittert, waarvan ieder weldenkend mens moet zeggen dat het vaak blufpoker is of tegenstrijdig of onzin, als een dwarse puber die altijd z’n gelijk wil hebben en naar niemand wil luisteren. En daar ook nog mee weg komt.
Denk aan Vladimir Poetin, de president van Rusland, die de grondwet verandert met de bedoeling om nog 16 jaar aan de macht te blijven.
Ouderwetse koningen, stoere buitenkant, grote woorden, zij hebben altijd gelijk. En hun onderdanen? Die mogen naar hun pijpen dansen.
Nee, onze Nederlandse regering is dan – gelukkig zeg ik maar – van een ander soort.
Maar toch, we zitten nu toch wel heel erg in de tang van allerlei beperkende maatregelen vanwege het coronavirus: De regering houdt ons kort, allerlei vrijheden zijn ons ontnomen, heel veel wat niet kan en niet mag,
waardoor we veel mensen helemaal niet meer kunnen of mogen bezoeken,
waardoor bedrijven in de problemen komen. Noem maar op.
Veel mensen maken zich zorgen, liggen er wakker van, ik soms ook.
Of is het het virus dat ons in de tang houdt, op verschillende manieren? Ik denk dat dat het is.
De regering zou het liefste al die beperkende maatregelen opheffen, maar ze zijn voorlopig nodig.
Het virus houdt ons in de tang, dat tiranniseert ons.
Dan is het, denk ik, ontzettend belangrijk dat we ons niet door dat virus laten regeren.
Dat kan zomaar ons leven gaan beheersen.
Maar de Bijbelse verhalen zeggen mij: Laat dat niet gebeuren!
Laat je regeren door iets anders, laat je leiden door iemand anders.
Laten we, om het met de woorden van ons volkslied te zeggen: de tirannie verdrijven.
Hoe dan?
Mijn moeder zegt dan: We kunnen alleen maar onze handen vouwen. En gelijk heeft ze.
Deze crisis bepaalt ons weer bij het gegeven dat wij heel veel in ons leven niet in eigen hand hebben, dat we afhankelijk zijn van allerlei factoren die we lang niet altijd beheersen, dat het een kracht is als je in zo’n situatie kunt leven in afhankelijkheid. Leg je leven in Gods handen.
We kunnen alleen maar onze handen vouwen.
Ik zeg er dan altijd achteraan: en onze handen wassen.
We moeten ook doen wat we kunnen doen om die onzichtbare vijand te verslaan.
Handen vouwen en handen wassen.
In het Wilhelmus staat het mooi bij elkaar:
“Mijn schild ende betrouwen
zijt Gij, o God, mijn Heer!
Op U zo wil ik bouwen,
verlaat mij nimmermeer!
Dat ik toch vroom mag blijven,
uw dienaar te aller stond,
de tirannie verdrijven
die mij mijn hart doorwondt.”
Handen vouwen en handen wassen.

Over regeren gaat het ook in de eerste lezing van vandaag, 1 Samuël 16. Dat is een soort profielschets van een goede leider, een goede koning.
Het begint koning Saul, die zijn langste tijd gehad heeft.
Het koningschap van Saul, de eerste koning van Israël, is mislukt.
De profeet Samuel had nog gewaarschuwd om het niet te doen.
Een koning heeft nogal eens de neiging om macht naar zich toe te trekken, mensen te kleineren.
Gód is toch jullie koning, God die mensen bevrijdt uit tirannie, die mensen de ruimte, de speelruimte geeft.
Samuel in eerste instantie tegen.
Maar, heel democratisch, het volk wil een koning, en het gebeurt. Saul. Geen succes.
Samuel wordt er nu op uit gestuurd, naar Betlehem, om een nieuwe koning te zalven.
Betlehem, dat kennen we, van het kerstverhaal, daar komt ook die andere koning vandaan, een verre nazaat van David: Jezus, die man naar Gods hart.
En de oproep vanuit de Bijbel is om ons juist door hem te laten regeren: hij ging de pijn en de moeite niet uit de weg, en in dat alles liet hij zich voluit regeren door de liefde.

Prachtig om te zien hoe het daar toegaat in Betlehem.
Daar zie je de verleiding van de buitenkant.
Hoe belangrijk is de buitenkant, hoe belangrijk is de binnenkant?
Mensen worden snel beoordeeld op hoe ze eruit zien.
En andersom: sommige mensen doen zich graag groter voor dan ze zijn.
Samuel trapt ook in die val van de buitenkant.
Al bij de eerste zoon van Isai die hij ziet valt hij voor die buitenkant.
“Maar de HEER zei tegen Samuël: ‘Ga niet af op zijn voorkomen en zijn rijzige gestalte… Het gaat niet om wat de mens ziet: de mens kijkt naar het uiterlijk, maar de HEER kijkt naar het hart.”
Dat vind ik een bevrijdende uitspraak,
zeker in een tijd waarin het zo belangrijk gevonden wordt hoe je er uit ziet.
Dan is het bijna komisch hoe het verder gaat.
Al die zonen van Isaï komen voorbij, stuk voor stuk geschikte kandidaten in de ogen van Samuel, mánnen die er zijn mogen.
Eén voor één presenteren ze zich, als in een verkiezingstournee.
Maar ze worden allemaal afgewezen.
Dan pas komt vader Isai op de proppen met de kleinste.
“De jongste is er niet bij, die hoedt de schapen en de geiten.”
Die achtste, dat vijfde wiel aan de wagen, waar eigenlijk niemand mee rekent, een herdertje bij de schapen.
Ze waren vergeten hem te vragen, of ze vonden het niet nodig: te klein, te onbetekenend.
Maar God ziet het hart aan.
Dat is sowieso al iets dat bij God hoort, dat hij speciaal oog en hart heeft voor de kleine en vergeten mensen.
Het zijn parels in zijn oog.
Juist met kleine mensen kan God wat beginnen, zo lijkt het wel.
Misschien is het ook wel zo dat kleine, onaanzienlijk mensen zich beter kunnen verplaatsen in andere kleine, onaanzienlijke mensen, en dat ze misschien daarom wel meer geschikt zijn als kandidaat voor het leiderschap.
Wat voor koning, wat voor leider wil God? Een herder!
Een herder die hart heeft voor zijn schapen,
een herder die - dat verhaal lezen we elders in de bijbel - die als hij 1 van de 100 schapen kwijt is alles doet wat hij kan om die ene terug te vinden.
Een herder die zich laat inspireren door de manier waarop God er voor de mensen is.
Ik denk aan dat bekende lied, een psalm van David:
De HEER is mijn herder…
hij geeft mij nieuwe kracht…
Al gaat mijn weg
door een donker dal,
ik vrees geen gevaar,
want u bent bij mij…
Zo wil God er voor mensen zijn, als een goede herder.
Dan is een mens een geschikte kandidaat voor het koningschap, voor het leiderschap, als die een herder wil zijn.
David wordt door Samuel gezalfd tot koning.
De laatste die de eerste wordt.
Ik hoop altijd maar dat regeringsleiders, of bedrijfsleiders, of schoolleiders, of wat voor leiders ook, op die manier leider willen zijn. Als een goede herder.

In de lezing uit het evangelie van Johannes komt datzelfde motief terug, van dat herder-zijn.
Het is een van de verschijningen van de Opgestane waarvan het evangelie vertelt. Petrus wordt hier bevraagd, Petrus met zijn soms wat grote mond, die ineens een heel klein hartje bleek te hebben.
Hier is het toenaderingsgeprek.
Drie keer wordt gevraagd: heb je mij lief?
Laat je niet regeren door wat er misgaat of misgegaan is, blijf daarin niet vastzitten, kom eruit, heb lief.
Ze komen weer tot elkaar, Jezus en Petrus.
Hij krijgt dan de opdracht mee: Weid mijn schapen.
M.a.w. laat je regeren door de liefde, wees als een goede herder voor wie op jouw pad komt.