(Niet) mijn pakkie-an ? - Ds. Eibert Kok- 17 mei 2020

(Niet) mijn pakkie-an?

Zondagmorgen 17 mei 2020, internetdienst vanuit de Ontmoetingskerk, ds. Eibert Kok

Lezing uit 1 Samuël 25

Preek 17mei 1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In wat voor tijd leven we?
‘Tijd van vloek en tijd van zegen’, klonk het in het lied dat net gezongen werd,
‘tijd van droogte tijd van regen
tijd van oogsten, tijd van nood…
tijd van hopen dat nog ooit…
tijd van kruipen, angst en spijt,
zee van tijd… en eenzaamheid.’
Tegenstellingen klinken er in door, tijd van voorspoed, tijd van tegenslag, de ene keer zit het mee, de andere keer zit het tegen.
In wat voor tijd leven wij?
Ik vind het een moeilijke tijd. Moeilijk voor mezelf, omdat heel veel dingen niet op de gewone manier kunnen of helemaal niet kunnen,
moeilijk voor die mensen die eenzaam op hun kamer zitten en niet of nauwelijks bezoek mogen krijgen, die geliefden niet kunnen ontmoeten.
‘Zee van tijd… en eenzaamheid.’
Moeilijk voor al die mensen die zich zorgen maken, over hun gezondheid, hun werk, hun inkomen, hun bedrijf, hun toekomst.
Moeilijk voor mensen in de zorg van wie veel gevraagd wordt, die risico’s lopen en het moeten volhouden.
Moeilijk voor mensen die in armoede leven, zeker in Afrika, Azië en Zuid-Amerika voor wie met de corona een hongerpandemie dreigt.
Wereldvoedselorganisaties verwachten dat het aantal mensen met honger dit jaar zal verdubbelen.
Er is te weinig voedsel en mensen hebben het geld niet voor voedsel.
Er is een uitspraak van de kerkvader Augustinus – hij leefde zo rond 400:
“De mensen zeggen:
De tijden zijn slecht,
we leven in een moeilijke tijd!”
Maar, zegt hij dan:
“Leef goed en de tijd is goed.
Wij zijn de tijden!
De tijden zijn wat wij er van maken…”
Laat die woorden maar eens op je inwerken…
Nu is het zo bij dit soort uitspraken dat het niet altijd opgaat, maar er zit wel een hele belangrijke kern van waarheid in.
In het lied dat net gezongen werd over de tijden, hoor ik iets vergelijkbaars, een uitnodiging tot een nieuw begin:
“Tijd van leven om met velen brood en ademtocht te delen.”
Nu is ademtocht delen iets wat we letterlijk genomen in deze tijd juist níet moeten doen, maar de bedoeling is duidelijk:
deel het leven met elkaar, gun elkaar het leven, geef elkaar de mogelijkheden om te leven.

Ook het bijbelverhaal van vandaag heeft ons daarover weer iets te vertellen.
Het gedeelte begint ermee dat Samuël komt te overlijden, Samuël, de profeet, de persoon die stem gaf aan de woorden van God, de profeet ook die in opdracht van God David gezalfd had tot de persoon die de nieuwe koning van Israël zou worden.
Dat overlijdensbericht van Samuël staat daar wat verloren aan het begin van het hoofdstuk, een terloopse mededeling, zo lijkt het.
Maar voor David valt hiermee iemand weg die voor hem heel belangrijk was.
Samuël, dat was degene die hem tot koning had gezalfd, dat was zijn legitimatie om zich op dat koningschap te richten.
En misschien was Samuël, en datgene waar Samuël voor stond voor David ook wel een soort moreel kompas.
De gedachte aan Samuël hield hem op het rechte pad.
Voor David is het een moeilijke tijd. Al de goede connecties die hij gekregen had met het hof van koning Saul had hij moeten loslaten, want koning Saul duldt hem niet in zijn leven. Zelfs zijn vrouw, de dochter van Saul, is hem ontnomen.
Voor Saul is David de meest gezochte persoon in zijn koninkrijk geworden. Hij wil David te pakken krijgen en vermoorden.
David blijkt dan uit een ander hout gesneden te zijn,
want in het hoofdstuk vóór het hoofdstuk van vandaag doet zich voor David de gelegenheid voor om Saul op een hele gemakkelijke manier uit de weg te ruimen.
Maar hij doet het niet. Dan zou er, zo vindt hij zelf, onrecht aan zijn handen kleven. Hij spaart het leven van koning Saul.
Maar nu, in dit hoofdstuk, nu Samuël er niet meer is, dreigt David van het rechte pad af te raken.
Wat is er aan de hand?
David heeft inmiddels een best grote groep strijdbare mannen om zich heen verzamelt en vormt zo een legertje dat zich schuilhoudt in de woestijn.
Wat doet die paramilitaire organisatie? Niet zoals de meeste bendes roven en plunderen, nee, ze beschermen schaapherders met hun schapen daar in de woestijn.
David en zijn mannen werpen zich op als herders van die herders om hen te beschermen tegen allerlei gespuis dat daar rondspookt.
Nu woont daar een zekere Nabal. Zijn naam betekent zoiets als dwaas. Dus dat voorspelt niet veel goeds.
Die Nabal is schatrijk, een succesvol ondernemer.
En hij heeft een wijze vrouw, zo wordt ons al direct verteld: Zij had een helder verstand en was mooi om te zien.
Hij was hard en gewetenloos.
Zij: vrouwe wijsheid, en hij: dikdoenerige gewetenloze domheid.
Nou, je hoeft niet lang na te denken om een hedendaagse versie van Nabal te bedenken, ze zijn er meer dan genoeg. En ze hebben vaker de touwtjes in handen dan je lief is.
Nabal viert weer een van zijn successen op het jaarlijkse schaapsscheerdersfeest.
David hoort daarvan en wil er ook wel iets van meekrijgen.
Als hij een paar mannen er op af stuurt met de vraag of hij ook een klein beetje mag delen in de rijke oogst – een opbrengst van de schapen die zo hoog is omdat David en zijn mannen zich daarvoor hebben ingezet – krijgt hij nul op het rekest.
Nabal hoont hem weg: het wemelt hier van vreemdelingen en vluchtelingen, mensen die bij hun eigen baas weggelopen zijn.
Wat doe je hier? Ga terug naar je eigen land.
Denk je echt dat ik míjn brood en míjn water en het vlees dat ik voor míjn scheerders heb laten klaarmaken aan de eerste de beste vreemdeling ga geven? Geen denken aan, eigen volk eerst.
Míjn brood, míjn water, van mij, dus niet van jou.
Het is een houding die je met grote regelmaat tegenkomt, in de politiek en daarbuiten,
ook tussen landen, tussen rijkere landen en armere landen.
Het speelt nu bij de coronacrisis en het gaat spelen straks als er een vaccin beschikbaar komt.
Wie mag (eerst) profiteren van de voedingsmiddelen, de hulpmiddelen, de geneesmiddelen, het vaccin?
Míjn brood, míjn water.
Het is niet voor niets dat Jezus ons leert in het Onze (!) Vader om te bidden: geef óns heden óns dagelijks brood.
Niet mijn, ons…
David is furieus. Te wapen! Met 400 man trekt hij op naar het bedrijf van Nabal.
Maar gelukkig is daar Abigaïl, die wijze vrouw.
Zij onderneemt actie. ‘Zonder met haar man te overleggen’ staat er nadrukkelijk bij.
Dit gaat in tegen de gewoontes van die tijd, en ook tegen de gewoontes vandaag de dag op veel plaatsen.
De man kan doen wat hij wil, de vrouw moet goedkeuring van de man krijgen. Nou, mooi niet.
Abigaïl is een wijze vrouw en doet wat goed is, niet wat haar man goed zou vinden.
Met een hele vracht geschenken, brood, wijn, vlees, graan, noem maar op, trekt ze hem tegemoet.
Dan komen ze elkaar tegen. David met zijn manschappen, vol woede, klaar om wraak te nemen en zich alles toe te eigenen, en Abigaïl.
Preek 17mei 2

 

 

 

 

 

 

 

 

Dat moment dat die twee stoeten elkaar tegenkomen – de stoet van de wraak die wil nemen, en de stoet die de hand wil reiken, die verzoening zoekt, die wil delen, geven – is vaak afgebeeld,
zoals op dit (middendeel van een) wandkleed van François Spiering, zo’n 400 jaar geleden gemaakt in Delft, en nu in de collectie van het Rijksmuseum.
Twee manieren om in het leven te staan:
rechtopstaand, eisend, dreigend met geweld, willen nemen,
en: nederig knielend, zoekend naar verbinding, verzoening.
Toen ik afgelopen week thuis dit Bijbelverhaal vertelde, zei mijn dochter: Dat is de geijkte manier in allerlei verhalen hoe vrouwen van mannen gedaan krijgen wat ze willen.
Ze lijkt wel heel nederig, maar op deze manier staat ze sterk en krijgt ze gedaan wat ze wil. Dit is haar kracht.
En in het Bijbelverhaal werkt het. David begint in te zien dat hij op de verkeerde weg zit en dat hij op deze manier behoed wordt voor een misstap die altijd aan hem zou blijven kleven.
Hij geeft zich gewonnen.
Het is echt ongelofelijk wat Abigaïl doet.
‘Mij treft alle schuld.’ Ze zegt het meerdere keren op verschillende manieren. Terwijl haar helemaal geen blaam treft. Haar man Nabal heeft zich in de nesten gewerkt, zij niet.
En toch neemt ze alle verantwoordelijkheid op zich. Dat is bijna iets messiaans. Dat is wat de messias, de christus, de gezalfde doet: de verantwoordelijkheid op zich nemen.
Als ik om me heen kijk, als ik zie hoe mensen soms reageren als er iets fout is gegaan, in het gewone leven, op het werk, in de politiek, dan zie ik heel vaak de neiging van mensen om de schuld van zich af te schuiven, om géén verantwoordelijkheid te nemen, om het op schouders van anderen te leggen, niet op die van zichzelf.
Abigaïl, die wijze vrouw, kijkt verder dan haar neus lang is, en beseft dat dit de enige manier is om uit de ellende te komen, als zij hier deze verantwoordelijkheid neemt.
Niet afschuiven op een ander die z’n verantwoordelijkheid die hij zou moeten nemen niet neemt, maar goed handelen, in het belang van iedereen.
Niet denken: het is niet mijn pakkie-an, maar: je verantwoordelijkheid nemen om erger te voorkomen. En dat kan en mag soms best wat kosten.
Zo houdt dit Bijbelverhaal ons een spiegel voor. Welke manier van leven kiezen wij?
Het verhaal eindigt ermee dat Abigaïl Nabal weer ontmoet, stomdronken.
De volgende dag vertelt ze hem een verhaal. Hij schrikt er zo van dat hij een hartaanval krijgt en een aantal dagen later overlijdt.
En David? David vraagt deze wijze vrouw ten huwelijk.
Dit hele verhaal brengt mij bij de Bergrede, die woorden van Jezus waaruit we in de 40-dagentijd gelezen hebben, waarin Jezus oproept de liefde het te laten winnen van de haat en die liefde handen en voeten te geven.
In wat voor tijd leven wij?
“Leef goed en de tijd is goed… De tijden zijn wat wij er van maken.”